19 Augustus 2002

Het gaat van een leiendakje........
De leidekkers zijn inmiddels klaar met de toren en het dak van
de kosterswoning, waarbij als eerste het spitje op de viering aangepakt wordt.
Maar voordat zij aan het dekken konden beginnen moest toch eerst de timmerman
hier en daar wat slechte stukken dakbeschot gaan vervangen. Ook het hoogste
puntje van de spits, zo'n 1½ strekkende meter, inclusief de
koningsstijl (= middelste stuk hout waar alle spantbenen bij elkaar komen) is
geheel vernieuwd. De galmborden zagen er aan drie zijden nog goed uit, maar
de zuidelijke borden waren na het weghalen van het oude deklood toch grotendeels
weggeteerd, dus dit gedeelte is ook vernieuwd.
Zoals gezegd: de leidekkers zijn nu bezig met het leggen van de leien. Oorspronkelijk zouden zij daarvoor een Ffestiniog-lei van 20x30 cm gebruiken uit Zuidwest Engeland. Maar deze groeve leverde de laatste jaren nagenoeg geen leien en zal wel uitgeput zijn. De lei die nu wordt toegepast is een Glendyne-lei, eveneens 20x30 cm en komt uit het Franssprekende gedeelte van Canada, uit de mijnen van St Marc-du-Lac Long bij Québec. Ze zijn mooi egaal grijs van kleur en zien er goed uit.
De eerste, oorspronkelijke leien werden toentertijd vastgemaakt met platte
nagels, welke door ter plaatse gekapte gaatjes in de linker- en rechterbovenhoek
van de lei heengeslagen werden, waardoor de lei dus in feite aan twee spijkers
kwam te hangen. Tegenwoordig doet men dat niet meer zo: nu gebruikt men een
roestvaststalen leihaak (donkergrijs gemoffeld) die
tussen twee leien op een getrokken streep in het dakbeschot geslagen wordt.
In dat haakje wordt nu de lei gelegd, zodat elke lei niet meer hangt (met kans
op breuk bij harde wind), maar op en in een haakje rust. Zijdelings wordt de
lei dan op z'n plaats gehouden door de haakjes van de volgende rij leien.
Wat vroeger niet, maar tegenwoordig ook moet, zijn het aanbrengen van zogenaamde ladderhaken. Bij inspecties en reparaties kunnen daarmee een ladder ingehaakt worden om daardoor veiliger op het dak te werken. Deze haken zijn van brons en zijn rechtstreeks op het dakbeschot aangebracht. Ze worden met indeklood waterdicht in het leiendak verwerkt. Ook de zijkanten van de dakvlakken worden afgewerkt met indeklood, zwaar 20 kg/m². En ook de aansluitingen aan nok en goten worden van noklood (30 kg/m²) en voetlood voorzien. De dikte van lood wordt uitgedrukt in kilogram per m² (de oude benaming is pondslood) en om een idee te krijgen hoe dik lood dan wel niet is: indeklood van 25 kg/m² is ±2,0 mm dik.
Pas als het hele dak van de spits dichtgelegd is komt er over de spits een
ijzeren stoel overheen, waaraan de spil is vastgemaakt waar de windhaan op draait.
Tegen die tijd zijn ook de galmborden van zwaar deklood (30 kg/m²)
voorzien, zijn de koperen goten in der kuip al aangebracht en hebben ook de
sierpionnen op de vier hoeken hun zware loodbekleding ontvangen. Koperen goten?
Jazeker. Oorspronkelijk zaten er zinken goten op, maar koper gaat
veel langer mee en is om die reden te prefereren. Dit materiaal van 0,8 mm dikte
zal eerst fel glimmen, maar naarmate de tijd verstrijkt zal dit steeds doffer
worden, om uiteindelijk zelfs een gifgroene kleur aan te nemen. Tot zover het
verhaal over de leien,lood, koper en brons een pracht stukje vakwerk.
Klik hier voor foto's van de steengroeve, waar ze vandaan komen
