Zondag 26 februari


Verslag Oecumenische viering in het weekend van Vastenavend 2006
"Me komme n'uit 'n goei nest".

Deze dienst werd voorbereid door de werkgroep "Oecumenische
jongerenvieringen" uitgaande van het stedelijk R.K.jongerenpastoraat en van
de Protestantse gemeente Bergen op Zoom.
Voorgangers waren pastor Ignatius van Neerven en ds.Willem Vermeulen.
Vele krabben en krabbekes stonden al buiten in de kou te wachten tot de
deuren van de Gertrudiskerk open gingen.

 


Eenmaal binnen werden ze warm onthaald en welkom geheten door "Asoekar".
"Me n'ebbe n'alles in uis" was het intochtslied.
Het grote vastenavendkoor-kinderkoor en combo stond dit keer o.l.v. Olivier Vermeulen, die inviel voor de geblesseerde Corina Overgaauw.

Roosje Hendricks en Olivier Vermeulen betraden het grote podium en zongen
"To everything,turn,turn,turn" een oude klassieker van "the Birds".

Meneer de Uil, juffrouw Ooievaar, Bor de Wolf en Ziza zebra kwamen vervolgens aan de beurt in het TV programma "We zitte in de neste". Het lied
"Hallo meneer de Uil" werd dan ook door alle aanwezigen volborstig mee gezongen.

Evenals het ook zeer bekende "15 miljoen mensen" dat muzikaal begeleidt werd door koor en combo.
"De verkleeddoos" en "het goeie nest" kwamen in de schriftlezingen (Collossenzen 3:12-15 en Psalm 87) naar voren en waren dan ook speciaal voor
het thema uitgekozen.

Voor de verkondiging van de twee voorgangers klonk het "Leut sprikt alle tale" als samenzang
en na die verkondiging was het gezang 28
"Wij hebben een sterke stad".`

Het Gebed van een krab

Yannick de Korte en Martijn Overgaauw, twee jonge rappers, brachten "Het nest van Berrege".
Een Bergse rap alla Baas B en Lange Frans.
Ook deze Vastenavenddienst werd traditioneel afgesloten met het Bergs Volkslied "Merck toch hoe sterck".
Het eerste couplet stamt uit 1622 en het
tweede was speciaal voor 2006 geschreven.
Het liedje 2006 "Me komme n'uit 'n goei nest" was de uitsmijter.


Alle medewerkers, muzikanten ,zangers-en zangeressen, vrijwillegers en
sprekers werden bedankt met groot applaus.

Speciale dank gaat uit naar Asoekar
Omdat ze dit jaar voor het laatst speelden!
Dinsdag 28 februari geven ze hun afscheidsfeest in de stad!

 

Het was weer een geweldige dienst!!

 

 

ga naar begin van pagina

 

Gebed van een krab.

Hier ben ik dan, lieve Heer
Uw feestvierende, vreugdemakende Krab.
Ik vind de Vastenavend heerlijk:
voor korte tijd en dwaas te zijn,
al is het maar voor even
ver weg van het gewone leven

U weet wel dat er mensen zijn
die ons niet kunnen volgen,
die zeggen dat we gekken zijn
volslagen abnormaal.

Eens op een avond vroeg ik U - weet U het nog?-
om mij te laten weten wat U dacht van dit festijn en ook van mij,
die toch wel graag een zot wil zijn, een krab
eens even niet gewoon wil zijn

En toen Uw antwoord kwam,
wist ik opeens dat U begreep
hoe goed het is een dwaas te zijn, een zot,
maar dan voor het hele leven.

Geluisterd heb ik toen
naar al die dwaze normen
die U, mijn lieve Heer,
op aarde heeft verkondigd:

Mildheid,eenvoud,zuiverheid van hart
Dorsten naar gerechtigheid en vrede en
afzien vangewichtigheid en macht.

Bezittingen verkopen en geven aan de armen.
Barmhartig zijn en vergeven
niet 7 keer maar 70

Geven om de geschondene,
de vele armen, het gekweste riet.
En liefde, steeds weer liefde,
liefde voor elkander.

Heer, wat een dwaasheid!
U weet toch wel dat Uw woorden te gek voor woorden zijn.

Je bent niet normaal als je gelooft in U en in bidden in gemeenschap.
Je bent toch niet normaal als je niet heel hard bent en niet alles grijpt en
pakt.
Je bent toch niet normaal als je Uw woorden ernstig neemt.

Wanneer wij naar U opzien zien wij als in een spiegel
hoe U de schepping wilde.
Dan zien wij de dwaasheid van het Kruis, de grote Dwaas, de Zot bij uitstek.

Wij bidden daarom, goede God voor ieder van ons allen,
om een feest van vreugde, ja niet normaal.

Wij bidden daarom, lieve Heer voor ieder van ons allen
om moed en kracht en durf
om elke dag Uw zot en dwaas te zijn en altijd abnormaal te zijn.


Vastenavondviering Bergen op Zoom 2006
Vrij naar een tekst van Cornelio Lagerwey