9 September 2005

Lees meer in deze serie

Geschreven n.a.v. het overlijden van dhr. Setten v.d. Meer.


Wat is een koster?
Is dat niet een man die je pas gewaar wordt wanneer hij er niet is?

Dominee's kinderen hebben een uniek gezicht op de koster. Voor mij was Hendrik van Setten van der Meer een uniek mens. (En als hij wist dat ik hem nu bij zijn voornaam noem zou hij vast een waarschuwende vinger naar me uitsteken...en mijn vader zou hem daar duidelijk in gesteund hebben!)

W.G. van de Hulst schreef ooit een kostelijk boek, Van de Boze Koster". De auteur wist waar hij over schreef. Kosters zijn per definitie boos. Dat hoort zo. Kinderen, voornamelijk dominee's kinderen, weten dat heel goed. Als kosters niet boos kunnen zijn, dan doen ze hun werk niet goed.

Koster van Setten was soms echt boos. En hij had daar reden toe begreep ik pas veel later, want ik ben nu direkteur van een lagere school, en direkteuren van lagere scholen hebben ook kosters. Het Engelse woord voor koster is caretaker. Dat is toch wel een heel mooi woord: he who takes care, iemand die zorgt. Dat is wat koster van Setten deed: hij zorgde. Hij zorgde voor "zijn" kerk. Omdat het "zijn" kerk was, was hij wel eens boos. Net was de boel schoon, en daar kwamen die "..."kinderen weer door de gang rennen en natuurlijk altijd met modder schoenen precies om kwart voor tien op zondag morgen. De mensen zouden wel denken, zeg.

Vanuit zijn beroep, en twijfel er niet aan: koster zijn moet een roeping zijn, want anders ga je daar niet aan beginnen, heb ik koster van Setten op verschillende manieren meegemaakt. Behalve op beroepshalve op mijn duvel krijgen, want ik was ooit eens zo'n "..."jong om kwart voor tien op zondag morgen, heb ik vaak gezien hoe hij de verwarming's kachel aan de praat kreeg. Die kachel stond in een kelder, omgeven door een soort gaanderij met stalen leuning en een ijzeren trap naar de kachel zelf. Koster van Setten moest die kachel opstoken. Een open vuurmond werd gevoed met grote schoppenvol Limburgse kolen geleverd door de firma Sakko, brandstoffen handel. Later in de week, wanneer de kachel weer afkoelde, moest hij de slakken er weer uit halen.

Koster van Setten, zonder dat ik hem ooit heb horen klagen, deed bijna al het zware werk zelf. Er was maar een uitzondering: Avondmaal. In die tijd werd het Heiliug Avondmaal nog gevierd door om de tafel inderdaad aan de maaltijd te gaan. Twee grote loebassen van tafels en een kleinere werden op zaterdag (want het was werk) uit de bergplaats bij de kleine ingang van de kerk gezeuld. En daar "mocht" ik bij helpen, want dat kon hij echt niet alleen. Het was altijd een klus om de tafels naar voren te halen, de ijzeren steunen er onder te schroeven en ze in de vorm van een kruis voor de preekstoel te zetten. Uiteraard swerd mij ook de eer toebedeeld om de tafels samen weer terug te brengen (op maandag, uiteraard...) naar hun berg plaats. Als dank deelde de koster's en de dominee's gezinnen het overgebleven avondmaal's brood: lange repen wit brood. Toen ik wat ouder werd heb ik me best wel eens afgevraagd wat er met de overgebleven wijn gebeurde, :-).

Wanneer de classis vergaderde in onze kerk, mocht ik ook wel eens helpen om het vereniging's lokaal op te zetten en later met opruimen. Dat werd betaald met het samen delen van de overgebleven soep en belegde kadetjes.

We hadden in die tijd een bloeiend jeugd vereniging's leven. Vita Nova (nieuw leven) en later V.I.C. (Verenigd In Christus) kwam elke zondagavond in het vereniging's lokaal samen. We hadden dan Bijbel studie voor de pauze met een omderwerp, en een programma na de pauze. Er waren soms over de vijftig jongeren bij elkaar. (Een uitdaging??) Het programma na de pauze kon van alles zijn, behalve kaarten natuurlijk. Op een van die zondagavonden bracht iemand een draagbare platen speler mee, en voor je het wist waren we aan het dansen. Foute boel. De koster's woning was te dichtbij, de ramen waren open, en de muziek was te luid. Binnen de kortste keren werd er door de gang gerend, ging de deur open, stak de koster zijn hand uit, en trok de stekker eruit, zonder ook maar iets te zeggen. In zijn kerk werd niet gedanst, en zeker niet op zondagavond. Zo was dat.

Dit zijn zomaar een paar grepen uit hoe koster van Setten van der Meer zijn beroep uitoefende. Groost en meeslepend. En dan was er Hendrik van Setten van der Meer: de echtgenoot en vader (Janny zat bij mij in de klas op de School Met De Bijbel aan het Bolwerk). Soms moest ik wel eens iets wegbrengen voor mijn vader naar het koster's huis. Je klopte dan aan de achter deur en wachtte tot je binnen geroepen werd. Boodschap gedaan, dan moest je een kopje thee blijven drinken. Hendrik bood dan een sigaret aan en we kletsten dan wat. Hij was altijd echt geinteresserd in wat je zei. Hij vertelde dan ook wel eens wat uit zijn leven voor hij koster werd in onze kerk. Boeiend en ontroerend. Een bekering's leven om stil van te worden. Het hielp om de koster beter te begrijpen uit Hendrik's leven.

Toen ik een paar jaar geleden terug in Bergen was omdat broer Henk ziek was geworden, kon ik met moeder weer eens in de Bolwerk kerk een eredienst mee maken. Na de dienst had ik het voorrecht om even met Hendrik en mevrouw van Setten van der Meer een stukje mee te lopen naar Avondvrede. We hadden alle drie tranen in de ogen met het ophalen van herinneringen. Ik zag het ineens: hij heeft altijd heel veel van ons kinderen gehouden. Hendrik heeft de laatste jaren op aarde in Avondvrede gewoond. Zijn avond is nu een schitterende dag met vrede zonder einde. Ik ben blij Hendrik de koster Van Setten van der Meer te hebben gekend.

Wellandport, Ontario, Canada