Het Licht in de woestijn.
(begin van het christendom).

De Messiaanse verwachting van Jesaja.
Het valt op dat ‘Jesaja’ is afgeleid van een Hebreeuwse naam die betekent: ‘Jahwè heeft gered’, wat bijna hetzelfde is als Joshua (Jezus ): ‘God is redding.’
Jesaja’s optreden (745 – 735 v. Chr.), is een godsopdracht tegen de verwording van het volk Israël, door de ontrouw aan de God van hun vaderen.
Bij de vele vermaning (Keer terug naar Jahwè!), is een opvallend motief de ‘Dag des Heren’, de dag waarop God niet alleen zwaar zal straffen, maar ook redding zal brengen. Als troost en uitzicht biedt de profeet het volk de messiaanse verwachting: Een Messias, een godgezalfde, die hen als een soort tweede Jozua (opvolger van Mozes) zal bevrijden van hun vijanden, hen zal leiden en tenslotte een vrederijk zal stichten. Deze verwijzing naar het Koninkrijk Gods, wat de Messias aan het einde der tijden zal vestigen, komt in veel Bijbelse profetieën voor, hoewel nergens scherp omlijnd wordt waaruit het zal bestaan. Evenmin wordt een eensluidend beeld van de Messias gegeven.
Uitzicht op redding door de belofte van een vrederijk – mits Israël zich bekeert tot Jahwè! .

De Essenen (Zonen van het Licht).
Ongeveer 160 v. Chr. werd bij Qumran (Gomorrah) de goed gestructureerde kloostergemeenschap van de Essenen gesticht. Deze Essenen beschouwden zichzelf als de wettige erfgenamen van het priesterschap. In hun afgelegen woestijnklooster werden de bekende Dode Zee - rollen geschreven.
Waarschijnlijk zou niemand hen ooit in verband hebben gebracht met Jezus Christus, als niet kort na de Tweede Wereldoorlog (1947) de Dode Zee - rollen waren gevonden. Ontcijfering van de rollen leerde dat deze Qumran - gemeenschap bestond uit een groep Essenen die zichzelf ‘Zonen des Lichts’ noemden. Na de Makkabeese opstand hadden ze zich teruggetrokken uit het normale leven, diep teleurgesteld door het morele verval in de leidende kringen rond de tempel. Hoe uiterst vreedzaam en vlijtig ook in commune levend, waarbij ze onder hun hoede genomen jongens als een soort ‘novicen’ onderrichtten en reinheid van lichaam en geest nastreefden (rituele baden), waren de Essenen erop voorbereid om, wanneer de tijd rijp was de tempel te zuiveren en de leiding van het nationale leven over te nemen. Voor deze heilige zaak achtten zij ook (bij uitzondering) wapengeweld geoorloofd. Uit de oude profetieën maakten ze op dat die tijd (de grote Dag des Heren van Jesaja) niet lang meer op zich zou laten wachten.
In hun ogen was de tempel van Jeruzalem nog steeds een poel der zonde. Zij keerden zich bij hun gebeden dan ook niet in de richting van de tempel want daar heersten de ‘zonen der duisternis’. Zij als ‘Zonen des Lichts’, spraken hun gebeden uit met het gelaat naar de opkomende zon, dus naar het oosten.
De Dag des Lichts, de komst van het Koninkrijk van God – het koninkrijk waarvan Jezus van Nazareth zo’n 180 jaar later zou zeggen dat het met hem was aangebroken.

Jezus van Nazareth ( voorstelbare werkelijkheid).
De jeugd van Jezus (Joshua Hebr.) blijft, uitgezonderd de vermelding van Jezus’ discussie met de tempelgeleerden, een mysterie. Als twaalfjarige is hij naar Joodse instelling ‘ bar mitswa’ , (zoon der wet) en volwassen. Tot zijn dertigste jaar vernemen we niets meer. Onbekend blijft bij welke groepering hij als rabbi is opgeleid.
De Stem roept: ‘Bereidt de weg de Heren in de woestijn…’ Dit is de juiste vertaling van de oproep van de woestijnprediker Johannes (Jochanan), die aan de Jordaanoever, niet ver van het vroegere klooster van Qumran, opriep tot bekering en en de waterdoop toepaste als symbool van geestelijke reiniging. Ook de dan ongeveer dertigjarige Joshua laat zich dopen tot ‘’wegwassing der zonden’. Hierbij krijgt hij een spirituele ervaring, waarna hij de eenzaamheid zoekt van de Judese woestijn om deze ervaring te verwerken. In de grote desolaatheid wordt hij bezocht door beproevingen en hallucinaties, een catharsis Gods, een heilige vuurproef..
Aldus gelouterd aanvaardt Joshua zijn roeping en neemt hij het werk van de prediker Jochanan over, nadat deze door Herodes gevangen is gezet. Ook hij predikt dat het Koninkrijk Gods nabij is, daarbij het volk oproepende tot bekering om dat koninkrijk waardig te zijn..
Naast het prediken van zijn liefdeleer (God liefhebben met geheel je hart en je verstand en je medemens liefhebben als jezelf), roept Joshua, hoewel hij als Jood de wet respecteert en deze geenszins wil afschaffen, op tot verzet tegen de hypocriete ‘geestelijkheid’: De Joodse wetgeleerden, die zich mateloos verheven voelen boven het ongeletterde volk en het dwingend onderwerpen aan een liefdeloos systeem van meer dan 360 voorschriften, de verwording van een godsdienst. Daarbij kiest hij duidelijk partij voor het gewone (land)volk en zet hij zich fel af tegen de rijken. Denk aan de scène van de rijke jongeman, waarbij ten eerste opvalt dat hij zegt: ‘Niemand is goed dan God alleen…‘ en dan: ‘Verkoop al wat ge bezit en verdeel het geld onder de armen en ge zult een schat in de hemel hebben…’ En als de jongeman verslagen afdruipt:…’Het is gemakkelijker dat een kameel… ‘ enz.
Doordat hij opkomt voor de kwetsbaren der samenleving, hen op hun bekering vergeving van zonden toezegt en uitzicht biedt op bevrijding van elke vorm van knechting door het komend Rijk, krijgt Joshua vele volgelingen. Zijn oproep tot boete slaat echter niet aan in zijn geboortestreek Galiléa, waar men zich (heel menselijk) aan hem ergert: ‘Wat matigt die zich aan? Is dat niet Jesjoea (Aram.), de zoon van Yosaf de timmerman, en behoren zijn broers en zusters niet tot onze gemeenschap…?’
Tijdens zijn gehele optreden geeft Joshua aan Het Koninkrijk der Hemelen op korte termijn te verwachten en dat sommige van zijn volgelingen dat nog zullen meemaken: ‘Deze generatie zal niet verdwijnen voordat alles is geschied…’(Matt. 16:27/28, Marc. 13:29/31 en Luc. 21:20/28).
Militante uitspraken van Joshua lijken haaks te staan op zijn ‘vrederijk’ en stroken daarentegen met de strijdbare messias – gedachte. De intocht in Jeruzalem onder hosannah - gejuich, bewijst dat zijn inmiddels grote aanhang, hem wel degelijk ziet als de bevrijdende Messias, de nieuwe koning van Israël. Nu heeft Joshua ook de macht om de tempelreiniging uit te voeren, een heilige opdracht, want volgens de profetieën is deze zuivering een voorwaarde voor de komst van het Koninkrijk van God.
De tempel van Herodes was een gigantisch complex. In de voorhof, die men zich als een soort oosterse bazaar moet voorstellen, krioelde het van bezoekers, ‘geldwisselaars’, handelaren en allerlei duistere lieden die aan de pelgrims trachtten te verdienen, zo niet erger. Stellig heeft Joshua deze zuivering aan het hoofd van zijn aanhang uitgevoerd, een revolutionaire daad die hem in ernstig conflict bracht met de tempeloversten en het Sanhedrin, doch ook, door het dissidente karakter van zijn actie, met de Romeinse overheid.
Zijn volgelingen die hem massaal als hun Messias hebben ingehaald, krijgen de teleurstelling van hun leven, wanneer Joshua na de tempelreiniging zijn revolutie niet doorzet en zich met zijn twaalf leerlingen in afzondering terugtrekt. Zijn heilige taak is het reinigen van de tempel geweest. de rest zal God doen bij het vestigen van Zijn nieuwe heerschappij, Zijn Koninkrijk, dat nu elk uur kan aanbreken...
Dat uur komt niet. Na onbekende verwikkelingen, die tenslotte tot zijn arrestatie leiden, wordt Joshua uiteindelijk door de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus veroordeeld. Het van deze man geschetste beeld van de zwakkeling die uit angst voor de Joodse Raad toegeeft, klopt absoluut niet met de beschrijving van de Romeinse notulist uit die periode. Die zet hem neer als buitengewoon hardvochtig, arrogant en wreed. ‘Pilatus’ betekent dan ook ‘De Pijl’, dit wellicht vanwege zijn scherpte. Het beeld, dat Joshua door de Joden veroordeeld zou zijn, met de Romeinse landvoogd als hun slap en willoos werktuig, is dramatisch antisemitisch, evenals de naam van zijn verrader: Judas Iscarioth, hetgeen zonder meer te vertalen is in het lasterlijke: ‘Jood de Siccariër (Dolkman’, sluipmoordenaar met een dolk’), een bron van veel ellende voor de Joden der diaspora, doorwerkend tot aan het huidige Israël...

Apostel Paulus.
Saulus (‘De bij God afgesmeekte’, Hebr.), verandert na zijn bekering zijn naam in Paulus (‘De Geringe’). Bij het zoeken naar een ‘Genadige God’ verwerpt hij zijn Farizeïsch verleden en men zou bijna denken dat alles wat hij schrijft of doet alleen ten doel heeft dat eigen, kwellende verleden, de baas te worden.
Deze traumatische strijd met de pijn en angst van een zwarte herinnering (de ‘doorn in het vlees’, zoals hij het zelf noemt), brengt met zich mee dat hij zich eigenlijk niet interesseert voor het leven en de leer van Jezus. Hij rept met geen enkel woord over de zaken die in de evangeliën staan vermeld. Misschien kende hij die ook niet daar de evangeliën toen nog niet waren geschreven (een feit waar de theologie vaak overheen hobbelt), maar de overlevering die de latere evangelisten als bron hebben gebruikt, moet Paulus toch ook bekend zijn geweest. Hoe het ook zij – het enige waar Paulus belangstelling voor heeft, is nu juist datgene, wat alle hoopvolle verwachting inzake de bevrijdende werken van een Messias (zoals de joden hem verwachtten), vernietigt: De overwinnende Messias, waarop het joodse volk hoopte, wordt vervangen door de lijdende Messias, die hij bovendien verheft van zoon des mensen tot de Zoon Gods.. Paulus verkondigt de voorstelling dat Jahwè een drievuldigheid is (en toch weer één) en tast daarmee het voor de joden zo heilige en onverbiddelijke monotheïsme aan. De Paulinische’ doctrines omtrent de ‘verzoeningsleer’ zijn zeer complex, soms verwarrend en vaak moeilijk te volgen, daarbij blijft het onduidelijk wat hij nog onder de ‘Mozaïsche Wet’ (Torah) verstaat, daar hij deze in zijn brieven aan de eerste christengemeenten tegelijkertijd verwerpt en respecteert. Soms wordt zijn ‘theologie’ vrijwel onbegrijpelijk, bv, wanneer hij leert in Romeinen 9: ‘Hij (God) ontfermt zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil… Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem…?’ Men is dus uitverkoren of men is het niet. Hoe is dit te rijmen met zijn leer van de verlossing der hele mensheid door Christus…? Ook bij Paulus komen de Joden er vaak niet al te best vanaf. Eigenlijk blijft de persoon van Paulus, die zich dan weer Joods, dan weer Romeins/ Helleens presenteert, in het halfduister. Men zou kunnen zeggen dat de christologie niet begonnen is bij Christus zelf, doch bij Paulus.
Overigens – wat voor de Evangeliën geldt, geldt ook voor het boek Handelingen, waarin het optreden en de reizen van Paulus worden beschreven – het kwam pas tientallen jaren na de dood van Paulus tot stand.

De Evangeliën.
Jezus heeft zelf zijn boodschap nooit opgetekend. De Evangeliën zijn op z’n vroegst in de jaren 50 - 70 n. Chr. ontstaan. Ze werden geschreven vanuit een Helleense wereld (Asia), in het gangbare Grieks en niet in Jezus’ landtaal het Aramees. De oudste versie van het evangelie dat we kennen – dat van Marcus – is dus al een vertaling.
De drie synoptische evangeliën stammen waarschijnlijk uit dezelfde bron, maar de schrijvers Mattéüs, Lucas en Marcus, hebben ieder hun versie vanuit eigen situatie, tijdsgewricht en overtuiging opgetekend, waarbij ze zich bovendien nog richtten op verschillende doelgroepen. Bv. Lucas, (80 n. Chr.) draagt zijn werk op aan een hooggeplaatste (de hoogedele Theofilus), die waarschijnlijk vanuit bestuurlijke motieven over Jezus’ leer en de eerste Christenen geïnformeerd wenste te worden.
Het mystieke Johannes - evangelie (90 n. Chr.): - Opvallend is de Grieks – filosofische stijl, waarin Dionysische invloeden merkbaar zijn, de mystiek der kennis domineert, en veel beeldspraak wordt gebruikt, die op zijn beurt weer veel wegheeft van de oude Esseense allegorieën. Meteen al in de prachtige proloog lezen we: ‘…In het woord was leven en het leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen…’
Ook in het verhaal zelf komt herhaaldelijk de Esseense antithese Licht – duisternis ter sprake: ‘…Iemand die het kwade doet haat het licht en gaat het licht uit de weg… Een oprecht mens zoekt het licht op…’ enz.
De vier evangeliën naast elkaar tenslotte, tonen onderlinge verschillen in beschrijving, afwijkende chronologie en locaties van gebeurtenissen, weglatingen en/of accentverschuivingen.

Het Koninkrijk van God van de eerste christengemeenten.
De eerste christengemeenten worden beschreven als uiterst vreedzaam. O.a. noemde men zich Ebioniten (= Armen). Het weinige bezit was strikt gemeenschappelijk, alsook de maaltijden tijdens de veelvuldige bijeenkomsten. Afkerig van rijkdom streefden zij naar het ideaal van de eenvoud; een communistische instelling, zou je bijna kunnen zeggen, ware het niet dat zij alles overkoepeld wisten door het geloof aan Jezus Christus, door de genadige God tot hen gekomen, opdat Zijn hemelrijk voor hen zou worden geopend.
Dit op korte termijn aan te breken Koninkrijk van God was de centrale gedachte van de vroege christengemeenten. Daar voor hen het beeld van de strijdende Messias vervangen was door dat van de gekruisigde, dus lijdende Messias, ontbrak bij die stellige verwachting nu elke strijdbare gedachte. Uiterst vreedzaam brachten zij hun dagen door met lofzang en onderlinge bemoediging. Ze werkten niet (of nauwelijks), daar ze het Godsrijk immers ieder ogenblik verwachtten..
Ook Paulus – getuige zijn vele bemoedigingsbrieven aan de gemeenten - verwacht dat koninkrijk nog ieder moment en als het dan toch, in de decennia van de evangelieverbreiding uitblijft, laat de schrijver van Openbaring het plaatsvinden in zijn droomvisioenen over het einde en het nieuwe begin. Dat Openbaring de korte termijn - verwachting als het ware uitschreeuwt, komt duidelijk in het slot naar voren, maar blijkt ook uit de allegorie van de ’Grote Hoer Babylon’ , waarmee Rome en zijn schandelijke praktijken wordt bedoeld. Hiernaar verwijst ook het geheimzinnige getal 666: een geheim voor ingewijden zoals de schrijver zelf aangeeft. Omgecodeerd naar het oude Hebreeuwse schrift noemt het de naam van de eerste Romeinse christenvervolger: Domitianus...

De kracht van het christendom.
Paulus bracht een ommekeer: Alle bekende godsdiensten gingen uit van de gedachte dat de gunst der goden verdiend moest worden door de mens zelf. De macht der genade, de verlossing van schuld, zonde en dood was onbekend.
Nu predikte een ‘verlicht’ man uit Tarsis opeens dat de mens zichzelf niet hoefde te corrigeren, maar dat God zich corrigeerde voor de mens doordat Hij zichzelf offerde (door Jezus Christus) en daardoor de oerschuld van de eerste mens Adam, te niet deed. De mens hoefde alleen nog maar aan deze verlossing te geloven en hij was al verlost. Iedere nieuwe zonde die hij beging was van te voren al vergeven, als hij maar berouw had.
Vooral het gros van de Grieks - Romeinse samenleving, het proletariaat van de steden, voelde zich in Jezus hoger aangeslagen. Hij verkoos immers de arme boven de rijke, de knecht boven de meester. Jezus Christus, de gekruisigde,, was hun eigen lot. Zo de wereld hen niet erkende: God deed dat wel.
Deze gedachte vormde de hoofdreden, de voornaamste kracht voor de snelle uitbreiding van de nieuwe leer.

J.P. den Otter

Bron: Jezus -verslag/ Johannes Lehmann
Augustus 2008