Ver-halen dichtbij brengen: straatjongens in Guatemala.
Rond de kerst 2002 zijn Ria en ik samen met Hedwig, onze jongste dochter,
op bezoek geweest bij Linda, onze oudste dochter. Zij was voor een half jaar
naar Guatemala vertrokken, o.m. vrijwilligerswerk in een vrouwengevangenis.
Xela, de gangbare naam voor Quetzaltenango, is de tweede stad van Guatemala
en is de tijdelijke stek van Linda. Grote stad met de problemen die daarbij
horen. Armoede, moeite om rond te komen. Jongens worden door hun ouders de straat
op gestuurd. Zij mogen pas weer thuis komen als ze 15 euro verdiend hebben......
‘sAvonds gingen we met z’n allen naar Royal Paris. Een goeie tent,
in de zoveelste Avenido van Xela, eerste verdieping. Linda had er gereserveerd.
Jaime bediende er.
We hadden een tafel vlak bij de deur, van glas.
We waren bijna klaar met eten. De deur ging open. Drie jochies, in de leeftijd
van 6 tot 11 jaar struinden naar binnen. Baseballcaps op. Linda kende ze: straatjongens,
drie broertjes. Ze kwamen meteen op haar af. Gingen bij haar staan. Even praten.
Foto’s werden er gemaakt. Big smiles....
Ze gingen er weer vandoor. Twee naar buiten; één van hen kreeg
bij een andere tafel wat geld toegestopt. Nummer drie liep naar de balie. Jaime
discussieerde wat met een collega. Het jochie kreeg een sandwich in een servetje
en ging naar buiten. Nummer twee zag dat, kwam weer binnen en liep naar de balie.
De jongste bleef nog op de bank zitten. Ik kon hem door de deur heen zien zitten.
Nummer twee kwam met hetzelfde naar buiten en nam naast z’n broertje plaats.
Een discussie volgde. Aan de gebaren kon je zien, dat hij ook maar naar binnen
moest gaan. Petje scheef, waagde hij het er op.
Bij de balie zagen ze hem over het hoofd. Ze waren druk en hij viel niet op.
Toen ze hem zagen, maakten ze hem duidelijk dat de twee anderen met hem moesten
delen. Hij bleef staan, haalde z’n schoudertjes op. Je kon zien dat Jaime
overgehaald was...
Even later liep de dreumes met een sandwich in z’n hand naar buiten.
***
Linda werkt in de Tecun-bar. Een bruin café, harde muziek, in het centrum
van Xela. De baas is Nederlander; hij heet Jeremie.
Een jaar geleden was Jeremie een straatjongen tegengekomen, een knul van een
jaar of 16. Z’n ouders woonden in Xela. Jeremie was met hem aan de praat
geraakt. ‘Je kunt bij me komen werken, de bar aanvegen, lege flessen opruimen,
dan krijg je hier dagelijks te eten, op voorwaarde dat je thuis gaat slapen.
Mocht ik je 1x ‘snachts op straat tegenkomen, dan is het afgelopen.’
Dat was ruim een jaar geleden. Onlangs – nog steeds aan het werk - heeft
hij van Jeremie een nieuwe fiets gekregen....
***
Op de markt in Chichicastenango een restaurantje opgezocht. Achter een kraampje
kon nog net een tafeltje met vier stoelen staan. Linda zit met haar stoel een
tree hoger. Binnen zijn nog een paar tafeltjes voor twee personen vrij.
We hebben ons ontbijt besteld. Voor ons trekken tientallen mensen langs. De
doorgang is smal. Net twee personen kunnen elkaar passeren. Ook hier haalt men
elkaar in. Kooplieden hebben een hoger tempo dan de kopers. Een jongen met een
mand vol kalkoenen en kippen op z’n schouders haalt in. Hij blijft met
de punt van de mand haken achter een touw dat over het pad gespannen is. Een
tegenligger helpt hem.
Veel kleuren om ons heen. Verschillende soorten muziek horen we tegelijkertijd.
Bij de San Tomaskerk even verderop speelt een band. De ridder te paard –
een beeldje - gaat langs een touw schuin omhoog naar de punt van de gevel van
de kerk. En daarna weer omlaag. Begeleid met vuurwerk, rotjes, zevenklappers,
honderdklappers...
Een jongetje van een jaar of zes, te klein voor z’n leeftijd, staat bij
me. Blauw T-shirt, korte broek. Een houten kistje met hengsel in z’n ene,
een krukje in z’n andere hand. Hij wil m’n schoenen poetsen. ‘Quando
questo?’ Hij steekt twee vingertjes omhoog. Op een poging de prijs te
verlagen blijft hij twee vingertjes omhoog houden. Akkoord.
Hij zet z’n kistje neer, z’n krukje daarachter, gaat daarop zitten
en beduidt dat ik m’n voet op het kistje neerzet. Eerst met een borstel
het stof verwijderen. Daarna maakt hij met een flesje het leer vochtig en smeert
het uit. Hij tikt zachtjes tegen de neus van de linkerschoen: die kan er af,
de rechterschoen is aan de beurt. Zelfde behandeling.
Voor de linkerschoen haalt hij een doosje bruine schoensmeer uit het kistje.
In het randje van de bodem zit nog een streepje smeer. Zijn kleine vingertjes
passen er mooi in. Met z’n vingertjes smeert hij mijn schoen in. Om bij
mijn hiel te komen moet hij half overeind komen; zijn armen zijn maar net langer
dan mijn voet.
Met een donkerbruin doekje trekt hij de glans in de schoen. Het doekje houdt
hij strak tussen zijn knuistjes. Ritmisch komt de glans te voorschijn. Af en
toe laat hij het doekje op mijn schoen klappen. Een tikje tegen de neus; de
andere schoen is aan de beurt.
Hij doet z’n spulletjes in het kistje. Hij is klaar. Ik geef hem 2 Q en
nog wat klein geld. Hij telt het langzaam na. Een grote grijns zegt genoeg.
Met z’n spullen onder de arm loopt hij het restaurantje in. Even later
verdwijnt hij in de massa, met een paar tortillas, maïskoeken, in z’n
handjes.
Eric van der Geer.
April 2003.
