JEUGD EN GELOVEN

Het valt mij op dat er bij jongeren ten aanzien van het christelijk geloof weinig veranderd lijkt t.o.v. mijn jongeren-tijd. Ook toen leek het niet echt wenselijk om voor je geloof uit te komen, want voordat je het wist had je, alleen vanwege die openbaring, het onzichtbare maar veelal eeuwige etiket van ‘watje’ opgeplakt gekregen. Een enkeling van mijn klasgenoten waagden zich er echter wel aan, maar tja, die hingen dan ook –ogenschijnlijk- altijd maar wat verloren bij elkaar rond en leken zeker niet de meest geliefden van de klas. Uiteindelijk, zo tegen het einde van mijn middelbare-school tijd, was mijn goed bewaarde geheim geen geheim meer, maar gelukkig had ik tegen die tijd voldoende krediet opgebouwd om toch voor vol te worden aangezien. En bovendien, men wist het dan wel (het wordt altijd ooit een keer gevraagd), maar erover praten deed ik natuurlijk niet echt.

Ik stelde mij vroeger wel vaak dezelfde vraag: “Hoe kan het dat ik mij sullig en als een ‘softie’ voel als ik ervoor uit kom dat ik in God geloof!?” Ik kon dat nooit begrijpen, dat zou Gods bedoeling toch niet zijn, dat je je moet schamen voor Hem? Waar kwam dat gevoel vandaan? Zat het ‘tussen mijn oren’? Waarom dan –ongetwijfeld- ook bij zoveel anderen? Werd het mij aangepraat? Door wie dan, en waarom dan? Was ik een soort ‘zondebok’ van de klas? En waarom konden, althans ogenschijnlijk, allochtone jongeren wel over hun religie praten zonder meewarige blikken en gesnuif van klasgenoten? Destijds voor mij in veel opzichten een groot raadsel. Nu echter, nu ik ouder en –waarschijnlijk- wijzer ben, denk ik een heel eind te komen in de oplossing van dit mysterie.

Ons christelijk geloof is gebaseerd op Jezus Christus als de Gekruisigde, die onze zonden op zich nam. Dit is dus geen geloof o.b.v. onze eigen kracht (terwijl we natuurlijk juist zo graag over onze eigen kracht spreken), maar een geloof gebaseerd op menselijke zwakte en de kracht van God. En ik denk dat we hier samen vaak een probleem creëren door ‘krampachtig’ zwijgen. Want ook wij als volwassenen (en dus niet alleen de jeugd) en vaak ook de kerk zijn daar debet aan. Ook nu bijvoorbeeld spreek ik op mijn werk nog steeds niet gemakkelijk of vaak over mijn geloof. Is hier niet een duidelijke taak voor ons weggelegd? Elkaar te motiveren in het ‘vrijmoedig spreken’ en bijv. achteraf ervaringen uit te wisselen? Tenslotte leren wij het onszelf en onze jeugd heus niet in een keer aan, da’s een heel proces.
Het is mensen eigen om te zwijgen over iets waarin wij afhankelijk zijn en te spreken over alles waarin wij onafhankelijk zijn. Maar, welke signalen geven wij hiermee af aan onze jongeren? Helpen wij hen zodanig trots te zijn op hun geloof?

Uiteraard gaat het mij er niet om dat wij met ons geloof te koop lopen, dat zou averechts werken. Maar, ik bedenk me wel steeds vaker dat wij onze jonge kerkgenoten moeten leren net zo vrijelijk over hun geloof te praten als over andere zaken (geld, uitgaan, relaties etc.). Als je jong bent kun je aan alles van jezelf twijfelen: je uiterlijk, je haar, je bril (om maar wat te noemen). Hoe goed is het dan om bij herhaling te horen dat je bijzonder bent, omdat je door God wordt liefgehad. En hoe goed is het dan om te weten dat je niet de enige bent die twijfels heeft over van alles en nog wat. Dat zelfs Paulus onzekerheid kende over bijv zijn geloof (lees het maar na in 1 Kor. 2: 1-5). Hoe belangrijk is het dan om te weten dat je waardevol bent voor de kerk, net zo waardevol als de dominee en alle andere betrokkenen.

Hoe vaak vertellen wij onze jeugd dat ze niets minder zijn dan wie ook, of je VMBO doet of HBO, of je nu het feestbeest van de klas bent of de verlegen en onopvallende jongen/meisje. Praten wij hierover vaak genoeg in de kerk en thuis? Voelen onze jongeren zich echt gesteund, niet om wat ze doen maar om wie ze zijn? Het is toch de mooiste boodschap die we ze mee kunnen geven, zeker voor het nieuwe schoolseizoen:

Jij bent een parel in Gods hand!

Ik stel voor dat we het veel en vaak tegen onze jeugd zeggen. Zoiets moois hoor je toch nooit vaak genoeg?

Johan Klaassens

namens de jeugdouderlingen:
Evelien op den Dries-Wigmans
Johan Klaassens

Reacties op dit artikel kunt u sturen naar het Gastenboek via deze site, 
of naar

September 2002